Game Changers
Jan 28, 2026

Hoe ik in mijn zoektocht naar controle een eetstoornis vond

Ilse Koolhaas vertelt openhartig over haar topsportcarrière als waterpoloster en de invloed van de eetstoornis die zij ontwikkelde.

Hoe ik in mijn zoektocht naar controle een eetstoornis vond

Hoe mijn talent mijn valkuil werd

Eigenlijk hou ik al zo lang als ik me kan herinneren mijn eigen broek op. Begrijp me niet verkeerd: ik hou ervan om samen te werken. Iets creëren met anderen en samen groeien is misschien wel het mooiste wat er is. Maar als jongste van vier, met flink wat leeftijdsverschil, leer je al snel meedraaien met de ouderen. Dat werd alleen maar versterkt doordat ik al vroeg als sporttalent werd gezien en daardoor snel extra stappen kon zetten. Vanuit die positie is het niet vreemd dat ik mijn woordje altijd wel klaar had.

Mijn ouders, opvolgers van de familiebakkerij, gaven ons een sterke werkethiek mee. “Niet zeuren, gewoon even je schouders eronder, dan is het zo gebeurd.” Praktische probleemoplossers, allebei.

Ik was tien toen mijn vader ziek werd. Door zijn herseninfarct veranderde hij, en ons leven als gezin, blijvend. Iedereen dopte zijn eigen boontjes, zodat het gezin ruimte had voor de grotere uitdagingen. Daardoor ontwikkelde ik al jong een vorm van zelfstandigheid die eigenlijk niet bij mijn leeftijd paste. Die overlevingsmechanismen werden door mijzelf en anderen soms verward met discipline.

Foto uit de privé collectie van de familie Koolhaas

De balans tussen kracht en kwetsbaarheid

Die zelfstandigheid heeft me veel gebracht: ik kon op een normale school blijven, ik verhuisde op mijn achttiende alleen naar Griekenland voor de sport, en ik ben altijd blijven studeren naast het sporten. Ik hield de balans tussen sport, school en werk.

Maar diezelfde zelfstandigheid zorgde er ook voor dat ik op zoek ging naar sturing. Naar bevestiging dat mijn keuzes klopten, naar kaders waarbinnen ik wist dat wat ik deed “juist” of succesvol was. Ik zocht naar inhoudelijke én sociale handleidingen, terwijl ik tegelijkertijd het gevoel had dat ik de antwoorden zelf al moest weten. Eerlijk is eerlijk: daarmee heb ik het mezelf soms onnodig lastig gemaakt.

Een groot onderdeel daarvan is mijn gevoeligheid voor manipulatie. Mijn radar werkt goed, en misschien maakt dat het extra pijnlijk dat ik mezelf toch liet beïnvloeden uit behoefte aan richting. Jarenlang gaf ik één persoon veel te veel invloed: mijn trainer. Hij had posities bij meerdere teams waar ik in speelde. Na verloop van tijd ging zijn invloed verder dan sport en raakte ook school en mijn sociale leven.

Toen deze “sturing” ineens wegviel, vielen al mijn kaders weg. Ik moest opnieuw bepalen wat ik geloofde. Wat was van mij? Wat was aangeleerd?

Ik was bevrijd van de manipulatie, maar ik voelde zoveel angst. Angst die me onzeker maakte over mijn eigen identiteit. Angst waar ik me nog altijd voor schaam.

De eetstoornis

Mijn zoektocht naar zekerheid werd een zoektocht naar controle. Ik zat in topteams waar altijd gewonnen moet worden en elke fout telt. Ik trainde zo hard als ik kon, en dan nog harder. Daarbovenop studeerde en werkte ik.

Die controle drong door tot mijn sociale gedrag en mijn voeding. Als het geen 100% was, werd het 0%.

Vanuit mijn behoefte aan controle zag ik het moment waarop ik van club en stad wisselde als een geschikt moment om ook mijn eetgewoontes gezonder in te richten. Samen met de diëtiste van het nationaal team stelde ik vanaf week één bij mijn nieuwe, buitenlandse club een eetschema op, afgestemd op mijn programma. Al snel merkte ik dat ik vóór die tijd eigenlijk veel meer at dan zij mij aanraadde. Ik deelde mijn voedingsdagboekjes eerlijk met haar, maar ging tegelijkertijd van de ene op de andere dag een stuk minder en soberder eten.

Na een paar weken merkte ik dat ik het steeds moeilijker vond om volledig eerlijk te zijn over bijvoorbeeld gezellige etentjes buiten de deur met teamgenoten. In mijn dagboekjes schreef ik dan net iets minder op dan wat ik daadwerkelijk had gegeten. Omdat ik me in die periode extreem bewust was van voedingsstoffen en calorieën, wist ik precies wanneer ik volgens mijn eigen normen “te veel” binnenkreeg. Elke eetgelegenheid die buiten mijn schema viel, gaf me een steeds vervelender gevoel. Om dat te compenseren begon ik minder te eten bij het ontbijt en de lunch als ik wist dat ik ’s avonds meer of ongezonder zou eten. Dat patroon breidde zich uit, tot ik bij vrijwel elk eetmoment probeerde zo min mogelijk te eten.

Begrijp me niet verkeerd: in aanloop naar en tijdens mijn eetstoornis voelde ik me niet dik. Wel zag ik onmiddellijk waar ik nog kon afvallen, of waar ik zogenaamd 0,00001 gram was aangekomen. Dat beschouwde ik als dingen die ik kon controleren. Of dat bewust of onbewust was, kan ik achteraf niet goed beoordelen.

Ik ben wel eens wat zwaarder geweest, maar nooit te zwaar. Zoals zo vaak in de sport waren gewicht en vetmassa regelmatig onderwerp van gesprek binnen het team.

Goed, beter, best. Wie bepaalt dat?

Waterpolo is een spelsport. Dat betekent dat het verschil tussen goed en beter niet volledig objectief te maken is. Bij zwemmen is iemand simpelweg sneller; bij een spelsport zijn er zoveel factoren die bepalen welk team wint, dat het lastig is om vast te stellen wie nu écht de beste atleet is. Hetzelfde geldt voor voetbal: kiezen tussen Daniëlle van de Donk en Vivianne Miedema is ingewikkeld. Terwijl we sneller unanimiteit zullen vinden over Marrit Steenbergen als beste zwemster van 2025.

Binnen waterpolo proberen we daarom te objectiveren: krachttesten, zwemtesten, vetmetingen. Mijn vetmetingen werden lager, terwijl mijn andere testresultaten beter werden of gelijk bleven. En juist dat was pijnlijk, want ik wílde dat ik met mijn neus op de feiten gedrukt zou worden. Ik wílde dat de testen slechter zouden zijn. Ik wist dat het niet goed met me ging.

Hulp zoeken, maar niet geholpen worden

Ik wist dat het niet goed ging, en ik zocht ook hulp. Ik bleef in gesprek met de diëtiste, maar zij kon mij uiteindelijk niet helpen. Dat had niets te maken met de kwaliteit van haar werk, maar met de aard van mijn probleem. Mijn probleem zat niet in voeding op zich, maar in het kwijtraken van mijn identiteit.

Gek genoeg was ik binnen al deze ellende lange tijd redelijk stabiel. Tot ik werd aangesproken op mijn eetgedrag. Dat gedrag paste uiteraard niet bij hoe een topsporter voor zichzelf hoort te zorgen. Teamgenoten en begeleidingsstaf maakten zich zorgen, zowel om mij als atleet als om mij als persoon. Inhoudelijk begreep ik de adviezen en handvatten die ik kreeg, en ik wílde ze ook echt opvolgen, al besef ik dat dat vaak niet zo overkwam.

Deze oprecht goedbedoelde adviezen maakten voeding opnieuw iets waar ik geen controle over had en waar anderen over beslisten. Op dat punt sloeg mijn eetstoornis om van anorexia naar boulimia. Daarmee raakte ik ook de (subjectieve) controle die ik nog had volledig kwijt. Waar ik dacht dat het echt niet goed met me ging, ontdekte ik dat het inderdaad nóg erger kon.

Schaamte, spijt en beschadigde relaties

Ik geloof nog steeds dat iedereen die mij toen wilde helpen dat deed vanuit oprechte betrokkenheid. Daar ben ik echt dankbaar voor. Tegelijkertijd voel ik tot in mijn botten hoe moeilijk ik het ook voor hen heb gemaakt. Ik zorgde niet goed voor mezelf, en daarmee ook niet goed voor het team. Uit schaamte voor mijn gedrag en uit onbegrip over mijn eigen mentale situatie heb ik dingen verzwegen. Relaties zijn daardoor beschadigd. Daar heb ik spijt van, en ik ben nog vaak op zoek naar manieren om die te herstellen. Voor sommige relaties zal ik moeten accepteren dat dat misschien niet (meer) mogelijk is.

Een nieuw referentiepunt

Een belangrijk omslagpunt was het ontmoeten van mijn huidige man. Door zijn onvoorwaardelijke waardering begon ik langzaam te ervaren dat ik zelf waarde heb. Dat ik ja mag zeggen, maar ook nee. Dat ik een eigen wil héb, ook al weet ik soms niet precies hoe ik daarnaar moet luisteren.

Hulp is belangrijk

Met mijn eetstoornis leef ik nog steeds, maar op een rustige manier. Goede eetpatronen en balans helpen. Het blijft iets waar ik dagelijks bewust mee omga, zeker omdat sport daar een rol in speelt. Dat is oké. Het hoort nu bij wie ik ben en hoe ik functioneer.

In de topsport willen mensen graag weten wat er speelt. Dat herken ik. Maar ik heb geleerd dat echte hulp ruimte nodig heeft. En dat elke eetstoornis anders werkt. Bij mij zat het niet in mijn lichaamsbeeld, maar in controle. Daarom hielp psychologische ondersteuning mij meer dan voedingsadviezen.

Mijn grootste uitdaging blijft luisteren naar mijn eigen gedachten, grenzen en overtuigingen. Als dat niet lukt, merk ik dat meteen in mijn behoefte aan controle. Dat is mijn signaal geworden.

De oplossing? Steeds opnieuw terug naar mezelf.

Jij kan dit ook

Wat ik anderen wil meegeven: wees eerlijk over wat er écht speelt. Neem iemand in vertrouwen. Een familielid, vriend(in) of bijvoorbeeld je huisarts.

Zoek hulp die bij jou past. Kleine stappen zijn ook stappen.

Ilse Koolhaas is een ex-prof waterpoloster die voor het Nederlands Team uitkwam in Tokio 2021