Op haar 13e vertrok alpine skister Noa Rabou alleen naar Oostenrijk. Over twijfel, eenzaamheid en haar weg naar de wereldtop.
.png)
Ik ben Noa Rabou, 21 jaar oud, alpine skister en ik ben geboren in Nederland. Klinkt misschien een beetje gek. Vroeger wist ik niet eens echt wat alpine skiën was. Ik stond al vanaf mijn derde op de ski’s, achter papa aan in de vakanties. Vond ik superleuk. Het liefst zonder bochten en zo hard mogelijk naar beneden. Mijn vader is vrij fanatiek en kon het niet zo goed hebben dat ik niet naar hem luisterde.
Op mijn tiende deed ik een scholenwedstrijdje op de borstelbaan in Uden. Daar vroegen ze me voor het wedstrijdteam en zo is het balletje gaan rollen. Steeds meer trainingen, ook in de sneeuw, en ik wist meteen dat ik dat leuker vond dan op het plastic.
Toen ik dertien was, deed ik mee aan een grote internationale wedstrijd voor kinderen. Daar heb ik gewonnen in het U14-klassement, best wel als underdog. Eerste Nederlander ooit. Op dat moment besefte ik dat nog niet, maar achteraf gezien is het een goede prestatie geweest. Waar ik toch wel trotser op had mogen zijn. Ik ben bescheiden en kritisch en had er meer van moeten genieten.

Toen ik bijna veertien werd deed ik de Aufnahmeprüfung op het skigymnasium in Saalfelden. Niet per se omdat ik daar zo graag naartoe wilde. Er werd mij verteld: probeer maar gewoon, dan zie je een beetje waar je staat.
Ik wilde er helemaal niet naartoe, dat wist ik van tevoren. Maar al helemaal niet toen ik daar die Prüfungen deed die vier dagen lang duurden. Twee dagen skiën: slalom, reuzeslalom, techniek en oefeningen. Daarna nog een dag conditie en kracht en de laatste dag was een toets. Ik had geen idee wat ik daar moest doen, sprak geen Duits. Ik probeerde een beetje te communiceren in het Engels. Ik hoorde andere meiden zeggen hoe ze zich hierop hadden voorbereid tijdens de conditietesten. Ik was verbaasd. Ik dacht: “Voorbereid? Oh… dit is serieus iets belangrijks.”
Toen ik klaar was en naar huis reed, was ik blij dat ik daar weg was.
’s Avonds thuis kreeg ik meteen een mailtje dat ik was toegelaten. Ik moest meteen huilen. Niet van blijdschap.
Ik had het niet verwacht, maar ook vooral gehoopt dat ik niet was toegelaten. Dan hoefde ik de keuze niet te maken. Nu moest ik dat wel. Ik was nog net dertien. Ik moest huilen omdat ik wist dat ik het moest doen, maar het niet wilde. Ik kon zo’n kans niet voorbij laten gaan en achteraf spijt hebben dat ik het niet heb gedaan.
Mijn moeder stelde me gerust. Ik kon ook na een paar maanden meteen weer terugkomen. Ik wist al dat ik dat niet ging doen. Als ik iets doe, dan ga ik er ook voor. Honderdtien procent.
Dat eerste jaar was echt verschrikkelijk. Ik voelde me zo eenzaam. Vriendinnen en familie waren duizend kilometer weg. Het internaat was gesloten in het weekend. Iedereen ging naar huis. Maar ik niet. Ik kon niet helemaal naar huis.
Ik was alleen in het vakantiehuisje van mijn ouders, een uurtje met de trein van Saalfelden. In de winter kwamen mijn ouders vaak naar Oostenrijk in het weekend. Soms namen ze zelfs een of twee vriendinnen mee. Dat was altijd zo leuk. Maar ook juist heel verdrietig. Zij gingen dan zondag begin middag weg en ik bleef daar achter. Ik moest zondagavond dan weer alleen met al mijn spullen naar de trein lopen om naar school te gaan.

Ik had het in het begin niet geaccepteerd dat dit nu mijn leven was. Dat is ook wat het misschien moeilijk maakte. Ik vertelde mensen die ik leerde kennen liever niet dat ik in Oostenrijk woonde. Ik wilde het er niet over hebben. Wilde er ook niet met vriendinnen over praten omdat ik dan weer anders was dan de rest. Ik wilde gewoon normaal zijn. Een normaal meisje dat normaal naar school ging, veel lol had en leuke dingen deed met vriendinnen in de weekenden. Zo zagen vrienden en vriendinnen het niet. “Juist cool, waarom praat je er niet over?” Maar zo voelde dat niet.
In Oostenrijk voelde ik dat ook. Het “buitenlandse meisje” dat geen Duits kon en daarom weinig praatte. Ik schaamde me dat ik geen Duits kon en wilde geen fouten maken.
Ik kon zo goed focussen op wat mijn doel was, dat ik tegen mezelf zei: hier moet ik gewoon even doorheen. Het wordt beter. En dat werd het natuurlijk ook. Ik zat er vijf jaar op school. De laatste twee jaren zag ik er niet meer tegenop om naar school te gaan.
Nu ben ik inmiddels 21, heb drie jaar geleden mijn diploma gehaald en toen was het weer zoeken. Hoe ga ik nu verder? Vanuit Nederland is het lastig. Er is geen Nederlands team of ondersteuning. Je moet zelf je eigen weg zoeken om naar de top te komen. Dat heb ik altijd al gedaan.
Wat ik op zo’n jonge leeftijd heb gedaan, heeft mij zoveel geleerd. Ik denk niet dat ik me ooit nog zo ongelukkig zal voelen of ooit iets niet aankan. Dus alles wordt alleen maar makkelijker.
Ik moest vroeg volwassen en zelfstandig worden. Ik denk dat de ervaringen die ik daar heb opgedaan, mij voor de rest van mijn leven bijblijven. Die ervaringen hebben mij deels geholpen aan de persoon die ik nu ben. Ik hou van het sociale leven en het lachen en ik wens dat iedereen toe.

Nu ben ik nog steeds op weg naar de wereldtop. Dat is mijn doel. Ook al is het lastig als Nederlandse. Je moet het echt doen vanuit de passie en zelf die weg zoeken die ertoe leidt. Er is niemand die je gaat vertellen hoe je er gaat komen.Mijn doorzettingsvermogen en discipline zijn denk ik mijn grootste kracht. Daarnaast is plezier hebben echt het allerbelangrijkste en dat moet je niet uit het oog verliezen. Dan wordt het moeilijk.
Als jong meisje had ik nooit gedacht dat ik op twintigjarige leeftijd op het WK zou mogen starten tegen de beste van de wereld. Kleine stapjes. Maar dat is wat er nodig is.

Ik ben niet graag afhankelijk van andere mensen. Maar dat ben je als topsporter wel. Als sporter is een goed team om je heen heel belangrijk. Ik ben super dankbaar aan mijn ouders en familie dat ze altijd achter me staan. Ook heel dankbaar aan sponsoren en de mensen die mij steunen. Zonder hen zou ik hier vandaag niet zo staan.